Opfok
De hele opfok van de jonge paarden is er op gericht ze optimaal volwassen te laten worden. Wij willen dat onze paarden opgroeien tot robuuste rijpaarden die makkelijk in omgang zijn. Een IJslander wordt pas laat volwassen. Zijn jeugd duurt langer en zijn groei vindt geleidelijker plaats, dit komt door de barre omstandigheden waarin IJslandse paarden van oudsher opgroeien. In Nederland zijn deze eigenschappen minder nuttig, daardoor hebben jonge paarden onder Nederlandse omstandigheden de neiging eerder te rijpen. Toch gunnen alle fokkers de paarden een jeugd van zeker vier jaar. Pas op hun vijfde jaar worden ze voor echt serieus werk ingezet en op hun zevende jaar worden ze als volwassen beschouwd.
Al heel vroeg moeten de jonge veulens gras tot hun beschikking hebben. Daar zit in Nederland die eerste zomer meteen een probleem. Als de veulens voldoende gras zouden krijgen, wordt de merrie te vet. Op IJsland zelf verliezen de merries dat vet weer in de winter, maar in Nederland is daarvoor teveel eten beschikbaar. De veulens leren van de rest van de kudde te grazen en al spoedig wordt het aandeel gras in het menu elke dag groter. De melkgift van de merries wordt na de geboorte eerst snel meer, maar na twee maanden al verminderd de stroom en wordt de samenstelling anders en minder voedzaam. Het jonge dier haalt steeds meer voeding uit het gras. Na minimaal 3 maanden kunnen de veulens afgespeend worden. Het voedselaanbod moet dan goed zijn en de weersomstandigheden ook. Dat kunnen argumenten zijn om toch al vroeg af te spenen. Immers in oktober is het weer nog goed en is er vaak nog mooi gras voorhanden. Als de veulens pas in de winter worden afgespeent, is de overgang vaak erg groot en krijgt het veulen bij afspenen een veel grotere klap te verwerken. Geen melk meer en ook nog slecht gras, samen met kou en regen kan een te grote verandering geven. Afspenen in een groep lotgenoten gaat het beste. De overgang wordt minder groot als de merrie’s bij de veulens weggehaald worden (en niet andersom) zoadt de veulens in een weide staan die ze goed kennen. Voordat het gras erg terugloopt in kwaliteit (uitvriezen, neerslaan en verregenen) moeten ze geleerd hebben om ook ander voer te eten. Ook nu geldt dat rantsoenveranderingen zo geleidelijk mogelijk moeten verlopen.
Deze jonge paarden dienen het beste voer te krijgen dat aanwezig is en zoveel als ze willen hebben. Ze werken immers heel hard want dit eerste jaar groeien ze reusachtig en zij zullen de paarden van de toekomst gaan worden. De keuze van kwalitatief zeer goed hooi, het liefst met wat kruiden als bijvoer, is het beste alternatief. Beter zou het zijn om de jonge paarden het hele jaar door goed gras te kunnen bieden. Sommige jaren kan dat, mits er veel weide voorhanden is met daarop voldoende gras. Bij warme winters zal het gras licht blijven doorgroeien, waardoor het voedselaanbod en met name het eiwit-aanbod voldoende blijft. Na gras is hooi of goed gras-kuilvoer de beste keuze. Door het voeren van vezelrijk voer leert het veulen ruwvoer te verteren. Onze robuuste paarden moeten leren om op een sober rantsoen te kunnen presteren.
Na de eerste winter worden de jonge hengstjes al snel wat rijper. In het voorjaar krijgen ze belangstelling voor het andere geslacht. Meestal zijn jonge hengsten hun eerste levensjaar nog niet vruchtbaar, maar ook in verband met hun irritante gedrag is het raadzaam om na het afspenen al snel te bedenken waar ze verder kunnen opgroeien. Voor alle jonge paarden geldt dat dat het beste in kuddeverband kan gebeuren, bij voorkeur op grotere weides, waar ze kunnen rennen en de hele dag bezig zijn, met elkaar of met voedselzoeken. Zo leren ze sociaal gedrag en hebben ze een consequente opvoeding. Het liefst in en kudde met een gemengde leeftijdsopbouw. Zo leert het jonge paard zich plooien naar de oudere dieren en na verloop van tijd leert hij zelf ook leiding geven en verantwoordelijkheden nemen. Zo leren ze karakter te krijgen, en worden ze vrienden, maar geen slaven van de mens.
Na het afspenen laten wij de veulens enkele maanden als kudde bijelkaar, samen met een ouder paard dat de leiding kan nemen. Daarna worden onze jonge paarden ingedeeld bij één van de 2 kudde’s: de jonge merrie’s en de jonge hengsten en ruinen. In deze kudde blijven zij totdat ze ingereden worden. Ze staan daar altijd in een schrale weide, zodat ze flink veel moeten lopen om hun kostje te verzamelen en de ruimte hebben om te spelen en te oefenen. In de eerste vier levensjaren hebben ze al dat eten ook echt nodig om te groeien en te spelen. Zelfs op ons schrale land worden oudere paarden toch nog snel te dik als ze hele dagen in de weide staan en niet hoeven te werken. Maar als ze echt aan het werk gaan, hebben ze het nodig om wat extra eten te krijgen.
Na vier jaar begint daarom normaal gesproken de training van onze jonge paarden. We kunnen dan bouwen op de goede sociale opvoeding die ze in de kudde hebben gekregen en op de basisconditie die ze hebben van het lopen en spelen in de heuvels.




Dit wordt ons boek: